50 languages

Date:
Test Number:
Score:
Time spent on test:
Elementare:


01/27/2023
3
0
0:00 sec
Yes
Test 3      |
|
Vai al test:

0/15

Clicca una parola!
1.andare a casanaar huis  
2.Che alto che è!Wat is groot!  
3.il primo / la prima / het eerste  
4.Bene, prendo la camera.Goed, neem de kamer.  
5.Devi preparare le nostre valigie! moet onze koffer inpakken!  
6.Oggi danno un bel film.Vandaag draait er een goede .  
7.Quando è nato?Wanneer bent u ?  
8.siamo a pagina 5wij zijn op vijf / wij zijn op bladzijde vijf  
9.indietronaar  
10.Ho bisogno di un autosoccorso.Ik heb een takeldienst .  
11.Piacciono anche a te i peperoni?Eet je ook graag ?  
12.Quanto costa fino all’aeroporto? kost het naar de luchthaven?  
13.qualcuno / una persona qualunqueiemand / de een of ander / wie dan  
14.leggere il giornalede krant  
15.Il quinto giorno è il venerdì. vijfde dag is vrijdag.