50 languages

Date:
Test Number:
Score:
Time spent on test:
Elementare:


07/02/2020
37
0
0:00 sec
Yes
Test 37      |
|
Vai al test:

0/15

Clicca una parola!
1.a Pasquamet  
2.neanch'io / nemmeno / neppure io ook niet  
3.Ripeta, per favore.Kunt u dat herhalen. / u dat herhalen.  
4.non aver vogliageen hebben  
5.sulle scaleop de  
6.Ho un maglione.Ik een trui.  
7.accendere la lucehet licht  
8.Lo vuole con il riso?Wilt u met rijst?  
9.Non è vero? ?  
10.mi fa malehet doet pijn  
11.fra quindici giorniover twee  
12.chiedere scusa / perdono aom vergeving vragen / verontschuldigen  
13.Ho sempre dolori alla schiena / mal di schiena.Ik heb altijd .  
14.Parli piano, per favore. u alstublieft langzaam.  
15.alle 5 del pomeriggioom uur 's middags