50 languages

Date:
Test Number:
Score:
Time spent on test:
Beginner:


10/30/2020
89
0
0:00 sec
Yes
Test 89      |
|
Ga naar toets:

0/15

Klik op een woord!
1.op dit moment / op dit ogenblik este momento / Ahora mismo  
2.Goedenacht! / Welterusten!¡ noches!  
3.bij mooi weerCon tiempo  
4.Ik wil broodjes en brood kopen.Quiero comprar y panecillos.  
5.Ik wil graag een fles champagne.Me gustaría una botella de .  
6.het ernstig / werkelijk menen en serio  
7.moeite doen  
8.Ik heb een kast en een commode nodig.(Yo) un armario y una cómoda.  
9.Waar is het bestek?¿Dónde los cubiertos?  
10.Maar spreken en schrijven is moeilijk.Pero es hablarlos y escribirlos.  
11.Zij werkt op kantoor. trabaja en una oficina.  
12.53 [drieënvijftig]53 [cincuenta y ]  
13.op deze manier esta manera  
14.de jas aantrekken el abrigo  
15.Er was een ongeluk.Ha habido accidente.