50 languages

Date:
Test Number:
Score:
Time spent on test:
Beginner:


10/28/2020
41
0
0:00 sec
Yes
Test 41      |
|
Ga naar toets:

0/15

Klik op een woord!
1.zijn medicijn innemen swoje lekarstwo  
2.Jij leert Spaans.(Ty) się hiszpańskiego.  
3.Heb je een handdoek? ręcznik?  
4.Vandaag hebben we tijd. mamy czas.  
5.Komt u vaker hier?Czy pan / pani tu bywa?  
6.dat is erg vriendelijk van u / dat is erg aardig van uto bardzo miło z Pana  
7.Nee, absoluut niet.Nie, nie.  
8.De douche werkt niet.Prysznic działa.  
9.ik wilde net weggaanchciałem wyjść  
10.Is deze plaats vrij?Czy to jest wolne?  
11.Hoeveel keer?Ile ?  
12.ik ben aan de beurt / het is mijn beurtmoja  
13.Waar is het kleedhokje? jest przebieralnia?  
14.juli, augustus, september,Lipiec, , wrzesień,  
15.hij komt de kamer in / hij komt de kamer binnen wchodzi do pokoju