Testen 26



Datum:
Tijd besteed aan testen::
Score:


Wed Jan 07, 2026

0/10

Klik op een woord
1. Dat zijn de leerlingen.
Ce sont élèves   See hint
2. Drink je water met ijs?
de l’eau avec des glaçons ?   See hint
3. Ik doe de was in de wasmachine.
Je mets le linge dans la machine à   See hint
4. Hoe kom ik in het centrum van de stad?
Comment vais-je dans le ?   See hint
5. Dit heb ik niet besteld.
Ce n’est pas ce que j’ai   See hint
6. Hij vaart met het schip.
va en bateau   See hint
7. Daar is de dierentuin.
Le zoo est   See hint
8. Er is ook een zwembad met sauna.
Il y a aussi une piscine avec   See hint
9. Je tas is erg mooi.
Votre sac est très   See hint
10. Het stoplicht staat op rood.
Le de circulation est rouge   See hint