Testen 1



Datum:
Tijd besteed aan testen::
Score:


Tue Feb 27, 2024

0/10

Klik op een woord
1. ik en jij
yo tú   See hint
2. een, twee, drie
uno, dos,   See hint
3. Het kind houdt van chocolademelk en appelsap.
niño / A la niña le gustan el cacao y el zumo de manzana.   See hint
4. De afwas is vuil.
La vajilla sucia.   See hint
5. Ik wil graag naar de luchthaven.
Me gustaría al aeropuerto.   See hint
6. Houd je van varkensvlees?
¿Te gusta la carne de ,   See hint
7. Waar is de bushalte?
¿Dónde está la del autobús?   See hint
8. Waar is het kasteel?
, está el castillo?   See hint
9. Neem zonnecrême mee.
Lleva crema contigo .   See hint
10. Ik heb een boormachine en een schroevendraaier nodig.
necesito un taladro y un destornillador.   See hint