50 languages

Date:
Test Number:
Score:
Time spent on test:
Beginner:


10/28/2020
2
0
0:00 sec
Yes
Test 2      |
|
Ga naar toets:

0/15

Klik op een woord!
1.Wij zijn hier.Nosotros /-as aquí.  
2.van bovenDe  
3.Ik ben al een jaar werkloos.Llevo año ya sin trabajo.  
4.hij studeert in Berlijn(Él) estudia en  
5.Hij spreekt Engels.Él inglés.  
6.Wat is er op televisie?¿ hay en la televisión?  
7.Waar zijn de neushoorns?¿Dónde están rinocerontes?  
8.Zijn er nog kaartjes voor het theater?¿Aún hay entradas el teatro?  
9.Komt u uit Azië?¿ (usted) de Asia?  
10.met winst verkopenVender beneficio / con ganancia  
11.op de vroege ochtend / op de vroege morgenDe  
12.heel veel mensenMucha gente / Un número de gente  
13.Wat draait er vanavond in de bioscoop?¿Qué ponen esta noche el cine?  
14.dat kan zijnPuede / Es posible  
15.Wanneer komt de trein in Amsterdam aan?¿A qué hora llega tren a Ámsterdam?